Vooraleer het een « pimpampoentje » wordt, doorloopt het lieveheersbeestje 4 stadia:
1. Het eitje, dat uitkomt na ongeveer 5 dagen
2. De larve die groeit gedurende 10 tot 15 dagen en die 3 keer vervelt
3. De onbeweeglijke pop die verandert in 6 tot 8 dagen
4. Het volwassen kevertje dat na 1 tot 3 weken eieren kan leggen
Over het algemeen worden de eieren in pakketjes afgezet, in het voorjaar of het begin van de winter. Ze zijn dikwijls langwerpig ovaal en heldergeel tot fel oranje. Bij Adalia bipunctata legt het vrouwtje 20 tot 50 eitjes per dag gedurende 2 weken. Men vindt ze aan de onderkant van bladeren of op twijgen, dicht bij bladluiskolonies.
Bij het uitkomen eet de larve eerst de eierschaal op en naburige, niet uitgekomen eieren. Daarna gaat ze actief op zoek naar bladluizen. Ze gaat daarbij eerder op gevoel en geur af dan op het zicht, want de larve is vrijwel blind. Wanneer ze vervelt bevestigt ze zich ergens aan en blijft onbeweeglijk gedurende enkele uren.
Vervolgens, in het popstadium(1), wanneer ze volledig onbeweeglijk is, dan, binnen in de pop(2), transformeert het lieveheersbeestje.
Na 6 tot 8 dagen scheurt de pophuid opent en wurmt het volwassen lieveheersbeestje zich een weg naar buiten. In het begin is het volledig geel. Het zoekt een beschut en veilig plekje op om de dekschilden te laten uitharden. Na enkele uren verschijnen de stippen en de definitieve kleur. Dit stadium overleven slechts 20% van de kevertjes.
De lieveheersbeestjes nemen alles waar via hun antennes. Ze verscheuren hun prooien met hun mandibels (kaken)(3). Ze kunnen tot 90 bladluizen per dag verslinden maar de larven zijn het meest vraatzuchtig: zij kunnen tot 150 bladluizen per dag eten.
Vanaf september-oktober zoeken de volwassen lieveheersbeestjes hun overwinteringsplaatsen op, die van soort tot soort kunnen verschillen. Adalia bipunctata houdt van muren, raamkozijnen of spleten in boomschors waar ze met enkele tientallen soortgenoten samenkruipen. Tijdens de winter sterft een groot deel. Dat is afhankelijk van de strengheid van de winter, een eventueel te vroeg begin van de lente, beschikbaarheid van voedsel en parasitisme. |